Wie zorgt er voor het zenuwstelsel van onze ouderen?

Gepubliceerd op 11 februari 2026 om 10:00

Over woonzorgcentra, een zorgsysteem in overlevingsstand en wat echt zorg vraagt

Soms hoor ik thuis twee verhalen tegelijk.

Het ene is dat van verzuchting: over tijd die ontbreekt, over schema’s die knellen, over hoe het beter zou kunnen.
Het andere is dat van licht: kleine momenten die iemand bijblijven. Een gesprek. Een hand. Een glimlach die ontstaat door contact, niet door planning.

Wie in een woonzorgcentrum werkt, kent die spanning.
En vanuit mijn blik op het zenuwstelsel zie ik iets dat me steeds minder loslaat:
wat mensen daar blij maakt — zorgverleners én bewoners — is co-regulatie.
En net daar is structureel geen tijd voor.

Daarom schrijf ik dit.

Het gaat mij niet om “veranderen”. Het gaat om ondersteunen.

Niet de vraag of ouderen “nog kunnen veranderen” houdt mij bezig.
Maar deze: krijgt hun zenuwstelsel nog wat het nodig heeft?

Ouder worden vraagt geen efficiëntie.
Geen snelheid.
Geen strakke planning.

Het vraagt iets fundamentelers:
rust, voorspelbaarheid, nabijheid en regulatie.

En precies dát staat vandaag onder druk.

Een lichaam kan oud zijn. Het zenuwstelsel niet.

In mijn werk zie ik het telkens opnieuw: het zenuwstelsel blijft aanspreekbaar, tot op hoge leeftijd.

Ik denk aan een cliënte van in de zeventig.
En aan een bewoonster van bijna tachtig in de PVT.

Geen grote trajecten. Geen zware methodes.
Wel:

  • heldere uitleg over wat spanning met het lichaam doet,

  • eenvoudige regulerende oefeningen,

  • vertraging, afstemming, herhaling,

  • en vooral: iemand die hun tempo volgt.

Geen spektakel.
Wel: meer rust, meer oriëntatie, meer houvast.
Een verschuiving van “ik moet het uithouden” naar “ik mag hier zijn”.

Hun leeftijd is geen beperking.
Wat het verschil maakt, is of hun zenuwstelsel ondersteuning krijgt.

Wat een ouder zenuwstelsel nodig heeft, staat haaks op hoe we zorg organiseren.

Neurofysiologisch is het eenvoudig:

Een ouder zenuwstelsel

  • verwerkt prikkels trager,

  • raakt sneller overbelast,

  • heeft meer voorspelbaarheid nodig,

  • en floreert bij herkenbaarheid, nabijheid en rust.

Dat is geen psychologie.
Dat is lichaam.

En toch organiseren we woonzorg vandaag vaak als een omgeving van:

  • wisselende gezichten,

  • krappe tijdsloten,

  • onderbreking, versnelling, fragmentatie.

We verwachten van lichamen op leeftijd dat ze zich aanpassen aan een tempo dat hun zenuwstelsel niet kan volgen.

Dat is geen zorg.
Dat is belasting.

De realiteit in WZC’s: zorg in overlevingsstand.

Laat me hier duidelijk zijn:
dit is géén aanklacht tegen zorgverleners!
Velen doen meer dan haalbaar is, met een betrokkenheid die diep respect verdient.

Mijn kritiek richt zich op het systeem:

  • onderbezetting, waardoor zorg noodgedwongen haast wordt,

  • tijdstekort, waardoor nabijheid als eerste verdwijnt,

  • interims en wisselende teams, waardoor vertrouwdheid verdampt,

  • taal- en cultuurverschillen, op zich geen probleem, maar wel iets dat extra afstemming vraagt — tijd die er niet is.

Wat ontstaat, is een zorgcontext die zelf voortdurend in “overlevingsmodus” staat.

En een systeem dat niet gereguleerd is,
kan geen regulatie bieden aan wie er woont.

Dat is geen ideologische uitspraak.
Dat is neurobiologische logica.

Wat we “probleemgedrag” noemen, is vaak ontregeling.

Onrust.
Terugtrekking.
Verwardheid.
Agitatie.

We labelen. We verklaren. We normaliseren: “Dat hoort bij de leeftijd.”

Maar zelden stellen we de kernvraag:
wat doet deze omgeving met het zenuwstelsel van wie hier leeft?

Je kunt iemand wassen, aankleden en voeden.
Maar zonder regulatie blijft het lichaam onveilig.

Zorg die geen veiligheid in het lichaam mogelijk maakt,
mist haar basis — hoe goedbedoeld ook.

Co-regulatie is geen extra. Het is de kern.

Wat mij raakt — en tegelijk scherp maakt — is dit:
de momenten die zorgverleners zélf als betekenisvol ervaren, zijn bijna altijd momenten van echte afstemming.

Een rustig gesprek.
Samen vertragen.
Even blijven.
Iemand zien.

Dat is co-regulatie: het zenuwstelsel van de ander helpen landen door aanwezigheid, tempo en contact.

En net daarvoor “is geen tijd”.

Alsof we zouden zeggen:
“We hebben geen tijd voor zuurstof, maar we zorgen wel dat alles technisch klopt.”

Dat is de omkering die mij stoort.

Het kán anders. En het vraagt geen grote middelen.

Ik heb gezien wat er gebeurt wanneer we wél vanuit het zenuwstelsel werken:

  • wanneer iemand niet alleen verzorgd wordt, maar afgestemd,

  • wanneer tempo wordt aangepast aan het lichaam,

  • wanneer veiligheid voorop staat in plaats van doorstroom.

Dat vraagt geen dure programma’s.
Het vraagt een andere prioriteit.

Niet eerst: “Wat moet er nu gedaan worden?”
maar:
“Wat heeft dit lichaam nodig om zich veilig te voelen?”

Dit is geen aanval. Het is een grens.

Ik schrijf dit niet uit boosheid om mensen.
Ik schrijf dit uit betrokkenheid bij wat zorg hoort te zijn.

Voor ouderen die vaak al een leven lang hebben gedragen.
Voor zorgverleners die wíllen afstemmen, maar structureel worden ingehaald door het tempo.
Voor een systeem dat menselijkheid belijdt, maar haar dagelijks ondergraaft.

Zorg die geen ruimte laat voor co-regulatie,
is lichamelijk ontoereikend — ook als de procedures kloppen.

Tot slot

We kunnen blijven optimaliseren, plannen en organiseren.
Maar zolang co-regulatie “niet in het schema past”, blijft de essentie buiten beeld.

Daarom zeg ik het helder, zonder omwegen:

Waar geen tijd is voor co-regulatie, is geen ruimte voor echte zorg.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.